Menu

Fix It

Wat kunnen imkers, landbouwers, natuurliefhebbers, beleidsmakers en burgers concreet doen om het tij te keren?

Zoeken




Volg het stappenplan van het FAVV bij acute pesticidenvergiftiging

Verkeerdelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is zeer schadelijk voor tal van insecten zoals solitaire bijen, hommels, vlinders en honingbijen die allen toch een belangrijke rol spelen bij de bestuiving. Sterfte van honingbijen in een kast door vergiftiging wordt echter sneller opgemerkt dan bijvoorbeeld het sterven van een hommelkolonie in de grond. Om deze reden hebben imkers een belangrijke rol in het melden van bijensterfte ten gevolge vanpesticidengebruik. Het draaiboek van het FAVV bij acute vergiftiging omvat een stappenplan dat start met de vaststelling van acute bijensterfte en gaat tot de eventuele maatregelen die men kan nemen na bevestiging van onoordeelkundig/onrechtmatig pesticidengebruik.

Acute pesticiden-intoxicatie bij honingbijen wordt gekenmerkt door het afsterven van minstens één derde van de kast binnen een tijdspanne van 48 uur. Dit gaat gepaard met een grote hoeveelheid dode bijen voor de kast. De dode bijen vertonen een uitgestoken tong wat echter ook op hongerdood kan wijzen. Daarom dient de imker na te kijken of er nog voldoende voedsel in de kast aanwezig is om verhongering uit te sluiten. De vaststelling van acute bijenvergiftiging dient verplicht zo snel mogelijk gemeld te worden aan het FAVV via het meldpunt van de lokale controle-eenheid (LCE) in de provincie waar de bijenvergiftiging plaats vond. Als het vermoeden gefundeerd blijkt, komt een LCE-onderzoeker ter plaatse op de bijenstand. Wanneer dit vermoeden wordt bevestigd, neemt de onderzoeker stalen voor verder onderzoek op pesticiden. Bij vaststelling van pesticiden door het laboratorium wordt nagegaan of de teruggevonden concentratie een toxisch effect kan hebben op honingbijen. Indien de aangetoonde concentratie de opgegeven LD50-waarde voor honingbijen benadert (>0,1×LD50) of overschrijdt, kan gepoogd worden de oorzaak van de bijensterfte te achterhalen. De vliegweide rond de getroffen kast moet dan worden gescreend, waarbij de imker mogelijke oorzaken kan aangeven door zelf verdachte behandelde gewassen op te sporen. Het FAVV kan overgaan tot verder onderzoek in de omgeving van de bijenstand door het register van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de aanwezige stock te controleren bij professionele gebruikers zoals land-of tuinbouwers, loonwerkers, beheerders van groene zones en bossen... In de praktijk is het echter zeer moeilijk om de link tussen bijensterfte en bespoten gewassen te kunnen aantonen, waardoor een aangifte niet automatisch zal resulteren in een schadeloosstelling.

Wat met sublethale dosissen?

Vaak zijn de gebruikte hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw nooit zo hoog dat ze directe dodelijke schade kunnen aanrichten bij bijen. Toch zijn er ook negatieve effecten terug te vinden bij lage doseringen, vooral wanneer deze gedurende een langere periode opgenomen worden. Dit zijn de zogenaamde sublethale effecten. Sublethale effecten omvatten gedragsverstoringen zoals oriëntatieverlies, verminderd foerageren, verlies van vliegvermogen en verstoorde communicatie in het volk. Een foeragerende bij zal bijvoorbeeld bij blootstelling aan lage concentraties neonicotinoïden meestal niet onmiddellijk sterven. Deze effecten zijn veel moeilijker vast te stellen door de imker waardoor het onmogelijk is om een stappenplan op te stellen bij dergelijke chronische vergiftiging.